Berlusconi: ‘Wácht op mij in het grote bed!’

Foto (detail): Wikipedia / Elle Chyun

President Silvio Berlusconi, metafoor voor de Nederlandse rechtstaat…

President Berlusconi, tevens badkamerjasgeleerde van Italië, voor intimi beter bekend als Silvio, is een grootheid, een demagoog, niet alleen in de politiek maar ook in bed. Ondanks zijn confectiemaat extra small, zou Frau Angela Merkel hem knipogend hebben kunnen toefluisteren: An der Nase des Mannes erkennt man seinen Johannes.

De gezaghebbende Italiaanse krant La Repubblica, deel uitmakend van Gruppo Editoriale L’Espresso Spa, heeft een Romeins abonnement op de avonturen van Silvio Berlusconi. Niet alleen ten aanzien van zijn functioneren als minister-president of als een van de eigenaren van AC Milan, maar ook in zijn hoedanigheid als witte badkamerjasgeleerde. La Repubblica meldt ons namelijk op 20-06-2009 dat uit een in het geheim opgenomen bandje is gebleken dat hij zijn meeste speeches steevast begint met:

‘Wácht op mij in het grote bed!’

Nou wil het geval dat Berlusconi, de man, niet de president en politicus, in zoverre men de man er uit zou kunnen distilleren, zich met zijn speech niet direct richt tot de natie of tot leden van de Europese lidstaten. Om goed over te komen bij het leeuwendeel van de Italianen neemt hij al zijn speeches vooraf nog eens goed door, en nog eens. Voor dergelijke try-outs maakt hij graag zijn borst nat en nodigt hij tegen betaling een dozijn van de duurdere beroepstippelaarsters uit die normaliter de Via Appia of een van de andere uitvalswegen van Rome onveilig maken door zich te willen warmen aan bestuurders met kleine jannen van auto’s met veel te grote pk’s.

Om het speechen kunstig te polijsten vraagt hij zich af waar en desnoods in welk bed hij de klémtoon of klemtóón moet leggen, en reciteert hij terwijl hij de dure meiden diep in de ogen kijkt:

Wácht op mij in het grote bed, hier is duidelijk sprake van ongeduld.
Wacht op mij in het gróte bed, ga vooral niet liggen in de kleinere twijfelaar.
Wacht op míj in het grote bed, hieruit spreekt schrik voor concurrentievervalsing.

De beroepsmatige ‘blotebillenkunstenares’ Patrizia D’Addario, een prostituee van aangename zeden, goed voor zo’n 2000 eurootjes per zwoele nacht, heeft volgens La Repubblica in het geheim deze oneliner als een piece of art op band gezet. De band met de uitspraak van Silvio Berlusconi, toch een der grootste filosofen van onze tijd, wordt uiteraard als eigentijdse Canon zorgvuldig bewaard.

Deze wordt niet getoond of bewaard in Galleria Borghese, het fraaie museum voor Barokke Kunst in Rome, en ook niet in de Glazen Piramide op het plein voor het Louvre in Parijs. Neen, helemaal fout geredeneerd, dit ‘Wácht op mij in het grote bed’ wordt als een Canon der Zuchtende Verlichting in opdracht van het Openbaar Ministerie door de carabinieri zorgvuldig bewaakt in de kazerne van het Zuid-Italiaanse Bari.

!n verband met lekken – de tekst zou gezien de inhoud blijkbaar spontaan kunnen gaan lekken en vervolgens vlam kunnen vatten – mag de gesproken tekst op de band zelfs niet worden uitgeschreven. Dit lekken en deze zelfontbranding kan een chemische reactie van natuurlijke aard zijn, het materiaal eigen, die zich ook internationaal manifesteert, vooral in een gevoelige biotoop met een organisme als politiek Den Haag.

Zodra de pers voor de Staat onwelgevallige informatie afdrukt en geen inzage in de bronnen verschaft, worden journalisten in Nederland gegijzeld of wordt het huis van de journalist leeggehaald (Telegraaf 18-06-2009) door dienstkloppers in impotente ruitjes overhemden van het merk WE, het vroegere HIJ/HE. ‘Wie HIJ? hij, die daar in dat ruitjeshemd!’ Lijkt me voor een vrouw ook heel gênant en niet te doen om met zo’n ondervertegenwoordigde overloper in ruitjeshemd het bed te moeten delen. Dan zou ik nog liever bekneld willen raken in de orgasme bevorderende armen van Berlusconi de Grote.

Als Berlusconi de minister-president van Nederland was, dan zou het voltallige kabinet in Den Haag zeker de vraag stellen of zijn uitspraak: ‘Wácht op me in het grote bed’ door de AIVD misschien óók bestempeld zou kunnen worden als staatsgeheim? En ook of de Rijksrecherche op verzoek van het OM (lees minister Hirsch Ballin) met een ‘gelegenheidswetboek’ in de hand ongegeneerd onder het grote bed van de Telegraaf-verslaggeefster zou mogen kijken of er nog belastend materiaal ligt te liggen, zoals een slip of the tong.

Minister Guusje Ter Horst meldde na afloop van de ministerraad dat in het geval van de Telegraaf, een journalist niet boven de wet staat. De journaliste deed eerder verslag van de leugen over de inval in Irak en recentelijk over de veiligheidsaspecten voor het bezoek van de Dalai Lama aan Nederland. De mening van Guusje kan ik volledig beamen, niemand staat boven de wet, behalve dan de staat incluis de AIVD als het zo uitkomt als ze de wet met voeten willen treden.

Ook de ministers in de kabinetten van voor en na de oorlog logen al totdat ze scheel keken. Guusje Terhorst kan het weten, ze is ervaringsdeskundige. Als voormalig burgemeester leek ze bestuurlijk soms scheel te kijken, van een niet toegestane hoeveelheid drank achter het stuur tot aan het bewust publiek verzwijgen van de feiten. Naast een kleine boete bleef ze volledig onbestraft, kon zelfs minister worden. Als korpsbeheerder beboette ze zelf wél vier agenten disciplinair voor alcoholmisbruik in het verkeer. De omstandigheden waren ineens anders (de Volkskrant 3 september 2006).

Door de globalisering is de fabricage van doofpotten inmiddels ook een goede handel bij onze nationale instituten. Het is niet alleen de Italiaan Berlusconi die grossiert in patenten op dergelijke potten, ook Nederlandse bestuurders en functionarissen van overheidsorganisaties hebben langlopende patenten geregistreerd waardoor in die bedrijfstak zelfs geen personeel meer hoeft af te vloeien. Naar het voorbeeld van Berlusconi’s praktijken die naast grootaandeelhouder, commissaris Raad van Bestuur en voorzitter van de Ondernemingsraad van Doofpot N.V. is, is Den Haag op een ordinaire manier gewoon gelijk aan de mannen van de gelegenheidswetten in Bari of Rome.

Het debat over de politiek vuurgevaarlijke thinner (zo’n 65 liter) dat in 2004 ongeoorloofd gebruikt werd bij de restauratie van het Catshuis werd door het kabinet met dezelfde angst omgeven als Berlusconi’s lek- en vuurgevaarlijke kreet: ‘Wácht op mij in het grote bed’. De brand als gevolg van het thinner gebruik tijdens een door de overheid bedongen haastklus kostte de schilder Aart de Lijster het leven. Zowel de rechter als de klokkenluider waren verbaasd dat niet één van de ambtenaren van de Rijksgebouwendienst en/of het ministerie de 65 liter (!) thinner had geroken. Als voormalige maker van schilderijen kan ik dit weten, omdat penetrante geur van  thinner wekenlang blijft hangen in zelfs één enkel lapje flanel en, alléén overvleugeld kan worden door de geur van een Catshuis-doofpot.

Ook de zaak van de explosieve landmijn, type AP 23,  die Rob Ovaa in 1984 doodde, bekend als de zaak-Spijkers, werd en word door politiek Den Haag als een couveusekindje achter tralies behandeld en was en is in meer dan 23 jaar een gistende doofpot. De opstellers van een universitair onderzoek van 12 academici onder leiding van prof. dr. Joep van der Vliet (universitair docent beroepsethiek Universiteit van Amsterdam) lieten in dit verband geen spaan heel van de betreffende nationale ombudsman, ministers, staatssecretarissen, rechters en hoge ambtenaren. Dit wegens het ‘ont-hoeden’ van de rechtsstaat, het negeren van rechtsstatelijke beginselen, handelen uit belang voor eigen departement of politieke partij, misbruik bevoegdheden, en het met voeten treden van de rechten van burgers.

Journalist Willem Oltmans tenslotte moest lang op het houtje van een bijstandsuitkering bijten voordat hij enkele jaren voor zijn dood rehabilitatie kon afdwingen in de vorm van 8 miljoen euro smartengeld. In een gevecht met de Staat der Nederlanden in de persoon van Joseph  Luns, de vroegere minister van Buitenlandse Zaken, had hij een geduchte tegenstander aan deze minister die getooid met de mantel van de Staat de wetten erbarmelijk schond.

‘Gij zult niet stelen noch fraude plegen, de Staat duldt namelijk geen concurrentie!’

Dat laatste weet ook Berlusconi, daarom het rookgordijn in het Italiaanse Bari voor de tape met de geheime speeche die begint met:

‘Wácht op mij in het grote bed!’