Nieuwe karmakoek

De spirituele boemerang noemen we karma. Karma, een woord met een vreselijk lange en gedateerde theosofische baard. Het Indiase kastensysteem deed er zijn ‘voordeel’ mee, en de Boeddhist was als de dood voor karma, wilde zich ontdoen van het rad van wedergeboorte door zich te zuiveren en alle leuke aardse lolly’s af te zweren. Begeerte, geneugte, pas op, want voor je het weet zit je er aan vast. Verzaak dat je mens bent en op aarde woont, scheer je kaal, doe een oranje lap om, kijk je scheel op Walhalla en Nirwana en je bent het heertje die nooit meer aards hoeft te plassen of te poepen.

Gelukkig zijn we zo niet meer getrouwd. Een litanie van moderne heiligen uit de sociale wetenschappen en ervaringsdeskundigen bevolken als therapeuten de praktijken voor hedendaagse regressie- en reïncarnatietherapie. Pioniers als Morris Netherton, Helen Wambach, Edith Fiore, Gina Cerminara, Brian Weiss, Hans Ten Dam, Roger Woolger gaven karma een meer menselijk en hedendaags gezicht, en met hen tienduizenden onderzoekers en therapeuten die zich lieten dotteren om het verkalkte theosofische hart in te ruilen voor spiritueel bewogen empirisch onderzoek.

De spirituele boemerang is natuurlijk niet het product van de karmapolitie die, politieagenten eigen, dolgraag er een quotum aan bonnen aan willen besteden. Karma is ook de talentenbank, het gigantisch reservoir van ervaringen uit voorbije levens toen we als manager of huisvrouw wisten hoe we waar de beste mosterd konden halen. De honderdduizenden opgetekende regressieverslagen laten zien dat het rücksichtlos afhakken van handen in een voorbije barbaarse cultuur als straf voor stelen zeker niet altijd leidt tot het in het heden hebben van artrose aan hand of pols.

Als paragnost zie ik vaak, vrijwel altijd, verbanden tussen prettige ervaringen of nare aandoeningen in het heden en episodes binnen vorige levens, waarbij met hetzelfde bijltje werd gehakt. Het voordeel er bij is dat vanuit het gegevensbestand van het verre verleden ook het medicijn voor de kwaal in het heden in beeld komt of de strategie voor hedendaags succes. Dat is dus andere karmakoek dan waar de theosofen ons mee behingen, en die via de fossiele loges van eeuwenoude spirituele clubs tot ons kwamen.

Als je als timmerman in het werkzame leven altijd gebiologeerd was van (kromme) rechtspraak, dan zou na de pensionering een studie rechten aan Volksuniversiteit of Open Universiteit er wel eens het logische gevolg van kunnen zijn. Zo’n weg wordt dan door onszelf energetisch aangelegd en geasfalteerd, met het doel rechten te gaan studeren, een vrouw te vinden met rode haren, Bulgaarse jam te gaan importeren of iets in ecotoerisme te gaan doen. De werkingsstructuur bij karma is net zo simpel te detecteren als bij het lokaliseren van vorige levens om de hoek.

‘Tros Vermist’ van Jan Jongbloed liet een Colombiaanse moeder zien. Door de ratten besnuffeld met karma van het smerigste soort. Nooit eerder zo’n fantastische vrouw gezien, een mens, waarbij de ziel vanuit alle hoeken en gaten zich een weg naar buiten baande, een stem vanuit haar gebeente.

Haar ‘dochter’, eens van haar afgenomen door een boze grootmoeder en ter adoptie aangeboden, was vanuit Nederland op zoek naar haar biologische moeder in Colombia.

De uitgemergelde moeder, levend van de verkoop van vuilnis, door elke heiland van welke signatuur dan ook verlaten. Door haar kinderen in Colombia aan haar lot overgelaten, verlaten door de genen die haar een goede gezondheid hadden moeten geven. Verlaten door onbetaalbare medicijnen tegen iets wat op een mengsel van epilepsie en psychose leek. Wonend in het FARC-gebied, in een kuil gecoverd en ompaald met grauwe plankresten waar de termieten hard voor waren weggerend.

Ze was eerder ten onrechte beschuldigd dat ze haar weggenomen dochter als baby had willen verdrinken tijdens een wasbeurt. Ook daarmee had het lot haar getroffen. Maandenlang na het stelen van haar baby had ze als moeder met een pop op haar arm in de contreien waar ze woonde rondgelopen.

Ze had haar verdwenen en dood gewaande dochter lief gehad. ‘Ik heb gegeven wat ik had’, kwam hevig snikkend uit het diepste van haar ziel. Een zin om nooit meer te vergeten, van iemand die zelf ooit amper iets tot niets had gehad.

Ze had nooit ooit een spijker gehad om haar kont te krabben, geen reet gehad, maar van datgene wat ze wel had gehad – misschien enkel een halfvergane dode mus als doekje voor het bloeden – had ze haar baby gegeven wat nodig was, dat stond in haar gezicht gekerfd. Tranen schoten te kort, een Colombiaanse bergbeek aan tranen stroomde aanhoudend over mijn winterse trui. Nooit eerder een dergelijk oprechte ziel gezien, verlaten van alles, verlaten door goden en termieten, de ziel in haar als moeder zo krachtig dat ze zelfs het bewustzijn er volledig door verloor, en ter aarde zeeg. Haar lieve vrijwel tandeloze man bleek haar God te zijn, tenslotte heb je maar één God nodig, in mensengedaante wel te verstaan. Hij hielp haar, ving haar liefdevol op bij haar black-outs, kuste haar terwijl ze in haar vuilwitte hemdje stond.

Karma heeft vele gezichten, haar gezicht was indrukwekkend, het zijne ook, wat een gezegende huwelijkse relatie.