Antoni Gaudí: Mijn vorige leven als straatjongen in Istanboel die aan hallucinaties leed

Gaudi2

Foto (detail): Wikipedia / Nesnad

Wat er aan voorafging:
Antoni Gaudí: De ‘schizofrene’ passie van een Spaans genie


Elk succes, aardse glorie, misstap of vermeende pech in het heden heeft zijn ankers in het verleden, meer specifiek: in een of meerdere vorige levens. ‘De Geest is de bouwmeester’ liet het Amerikaanse medium Edgar Cayce ons in het begin van de vorige eeuw al weten. En tijd is weliswaar een handig, maar tevens een uiterst aards concept dat ons kan misleiden in termen van eeuwigheid. Een vorig leven is, voor zover we van verwijdering mogen spreken, slechts een halve ademteug verwijderd van het actuele heden van elke persoon. Dit omdat we alle vorige levens in ons dragen, minimaal of maximaal, in dagelijks gedrag of uitgebalanceerde voorkeuren, vanaf de oertijd tot op heden.

Elk curriculum vitae begint daarom ook in een of meerdere vorige levens. Ayrton Senna´s vorige leven als Tibetaanse monnik was de motor voor zijn succes als Formule 1-coureur in Brazilië. Ook de succesvolle levens van notoire wereldverbeteraars als Lao Zi, Confucius en Gautama Boeddha waren het gevolg van eerdere incarnaties. Het leven van een andere wereldverbeteraar, Jezus Christus, had zijn oorsprong in 33 eerdere incarnaties (Sanderfur 2009), waaronder Adam, Henoch, Melchizedek, droomuitlegger Jozef, de wrede legerleider Jozua, en Asaph de ziener onder koning David en Salomo. Ook het curriculum vitae van de architect van la Sagrada Família, Antoni Gaudí, begint niet in het Spaanse-Catalaanse Reus of Riudoms, maar in een van zijn eerdere incarnaties, als Armeense straatjongen in Istanboel op het politieke einde van het Ottomaanse Rijk.

 

INTRODUCTIE

De Geest is de bouwmeester. De uitvindingen van natuurkundige en elektrotechnicus Nikola Tesla waar hybrideauto´s naar zijn vernoemd, woonden al in zijn geest voordat de geniale uitvindingen van Tesla überhaupt het levenslicht zagen. Tesla ‘ontwierp’ de bouwtekeningen van zijn constructies tot in detail, inclusief de maat van alle schroefjes, al visualiserend in zijn geest. De geestelijke vonk krijgt uiteindelijk altijd vorm, materialiseert in de stof. De motieven van Antoni Gaudí om de kathedraal la Sagrada Família te bouwen, zijn vele malen ouder dan zijn Spaanse incarnatie. Zijn motieven en zielenroerselen stammen uit andere tijden, zo laat een eerste extrasensorisch filmbeeld me zien, stammen uit zijn incarnatie in Istanboel als straatjongen van Armeens-Ottomaanse komaf, waar hij omringt werd door bossen aan minaretten die in aantal nog meervoudig leken te worden verdubbeld door periodiek optredende visuele hallucinaties waaraan hij leed.

De adolescente straatjongen in Istanboel is als entiteit dan ook de incarnatieve voorloper van Antoni Gaudí. Anders gezegd: na de dood van de straatjongen incarneerde na een intermezzo, een sojourn,* de entiteit als Antoni Gaudí, de architect. De straatjongen blijkt Narek te heten, en is geboren uit Armeense ouders die uit armoede hun land waren ontvlucht toen hij de babyleeftijd nog maar amper was ontstegen. De opgroeiende Narek bleek een jongen te zijn met een hoge mate aan religieus bewustzijn.

Innerlijk religieus bewustzijn en institutionele religie zijn verschillende grootheden waarvan we de laatste in de gangpaden van kerken of geheiligde bibliotheken, religieuze supermarkten, kunnen aantreffen. Een hoge mate van religieus bewustzijn bestond namelijk al voordat institutionele religies hun producten aanprezen met god en gebod, met vooral het accent op verbod. Spiritualiteit was vanaf dag één van de mensheid, Helena Blavatsky noemde het de religie van de Ouden en (universele) Wijsheids-religie (Blavatsky 2008), de Alma Mater voor de zich ontwikkelende institutionele religies, totdat deze instituties zich met geweld tegen spiritualiteit keerden of haar negeerden: De feitelijke vadermoord op spiritualiteit, de vadermoord op de moeder aller religies.

Ook innerlijke kennis en institutioneel verworven kennis moeten tot verschillende grootheden worden gerekend. Kennis van hoge kwaliteit bestond al eeuwen voordat de eerste universiteiten hun kloosterpoorten openden en diploma´s uitreikten. En in de linguïstiek kunnen we verwante vergelijkingen aantreffen: lang voordat de geschreven taal zich ontwikkelde bestond tijdens het tijdvak dat medeklinkers nog geboren moesten worden en klinkers als oerklanken het voor het zeggen hadden, de innerlijke taal, een deels non-verbale taal waaruit ook de paragnosie en de telepathie geboren werd.

Instituties en maatschappelijke machinaties hebben de elementaire ontwikkeling van innerlijke religie, kennis en taal verdrongen (Illich 1972, Freire 1980).

Kinderen worden via schoolse leerstof en onderwijskundige modellen geprogrammeerd om zich vermeend maatschappelijk relevant te ontwikkelen (lees: om later aan de leiband van multinationals, bestuurders en kerkvorsten te kunnen lopen). Straatjongens daarentegen worden geacht geen architect te kunnen worden, en zeker geen wereldvermaarde. Behalve dan als de straatjongen na zijn dood opnieuw incarneert, bijvoorbeeld in rooms-katholiek Spanje, en hij als voormalige zwerver al zijn passie en religieuze intentie in de strijd gooit om La Sacrada Familia te kunnen bouwen.

 

DE TRAPPEN VAN DE BLAUWE MOSKEE

In het eerste contact met Antoni Gaudí begreep ik dat, in tegenstelling tot de helderziende contacten met Ayrton Senna, Lola Flores en Isabel la Católica, hij het liefst formeel wilde worden aangesproken als: ‘(Señor) Gaudí’. De adolescente straatjongen Narek daarentegen kon getutoyeerd worden.

M: Señor Gaudí, ik regresseer u zo dadelijk naar een vorig leven, naar Istanboel het vroegere Constantinopel, naar het leven als Narek, waarvan we eerder al enige impressies kregen.

M: Señor Gaudí, het beeld van uw eerdere incarnatie laat Narek zien, de adolescente Armeense straatjongen in Istanboel die leed aan hallucinaties. In het eerste gedachtebeeld dat ik van hem via u kreeg, zit hij als zo vaak op de een na bovenste trede voor de ingang van de Blauwe Moskee.

Antoni Gaudí: Ja, het beeld van een arme straatjongen is een deel van het onbewuste gevoel dat ik als Gaudí in me droeg zonder te weten waardoor en waarom. De onbekende straatjongen in mij had passie voor religieuze gebouwen, profane kerken, kathedralen en moskeeën, had belangstelling voor verheven armoede en het leven van alledag, het dicht bij gewone mensen willen staan, passie voor hoge kerktorens of torens als minaretten, elke dag en overal om me heen, torens die naar de hemel rijken.

M: Señor Gaudí, ik dompel u zo dadelijk opnieuw in het gevoel van de staatjongen die we als Narek hebben leren kennen. Zodra Narek zich in u manifesteert spreek ik hem met ‘je’ aan.

M: Señor Gaudí, ik verzoek u een emotionele gedachtensprong te maken. Herinner de keren dat tijdens uw leven als Antoni Gaudí in Barcelona u zich een zwerver voelde, als iemand die armoede belangrijker was gaan vinden dan het hebben en dragen van elegante kostuums uit de betere kringen. Stelt u zich opnieuw voor dat u gehuld bent in zeer eenvoudige kleding, kleding gelijk aan die van een straatjongen. Verplaatst u zich in het nog jonge lichaam van de straatjongen Narek. In gedachten tel ik tot drie en met een vingerknip in gedachten rolt u automatisch en gemakkelijk in het leven van Narek, een, twee, drie…

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Nog voordat Antoni Gaudí antwoord geeft ontvang ik opnieuw filmbeelden op mijn extrasensorisch beeldscherm: Een straatjongen zittend op de een na bovenste trede voor de ingang van de Blauwe Moskee.

Een adolescente straatjongen zit op een van de bovenste trappen voor de moskee, zijn smalle bovenlichaam half schuin naar links gedraaid waardoor hij over zijn linker schouder naar beneden kijkt en een panoramisch beeld heeft van de omgeving. Narek kijkt vandaag vrolijk, het is een blije dag, hij wordt deze dag niet geplaagd door hallucinaties, zinsbegoochelingen en niet door fysieke ongemakken: hoofdpijn en dubbelzien. Narek houdt van het leven, maar het leven is door armoede en ziekte hem vaak niet gunstig gezind.

Tijdens een eerste trance over Gaudí en zijn vorige leven zag ik extrasensorisch dat straatjongen Narek over een diep religieus bewustzijn beschikte, zonder op enigerlei wijze tot een institutionele religie te behoren of daardoor te zijn beïnvloed, hoewel zijn Armeense ouders van oorsprong tot het Armeens christendom behoorden.

Antoni Gaudí: Het gevoel is duidelijk, de sporen van Narek zijn in Barcelona altijd al in me geweest. Op een dag in Barcelona ‘bekeerde’ ik mij tot de straatjongen in mij, tot dat wat Narek kan worden genoemd, en omarmde de armoede. In al mijn vezels voelde ik: ‘Bienaventurados los pobres en espíritu, porque de ellos es el reino de los cielos’ (Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen). Daarom verklaarde ik later ook: ‘La belleza es el resplandor de la verdad, y como el arte es belleza, sin verdad no hay arte’. (Schoonheid is de glans van de waarheid, en omdat kunst schoonheid is, is er zonder waarheid geen kunst).

M: Señor Gaudí, voel Narek opnieuw, spreek als Narek, u wordt opnieuw Narek, en vertel vervolgens wat Narek ervaart.

Narek: Niet vandaag, vandaag schijnt de zon in me en op de trappen van de moskee, maar vaak heb ik hoofdpijn, aan de rechterkant van mijn hoofd. Daar begint het mee.

M: Waar begint ´het´ mee, wat bedoel je met ‘het’?

Narek: Met ‘het’ bedoel ik ‘de voortekenen’.

M: Welke voortekenen Narek?

Narek: Voortekenen van ‘niet meer helemaal mezelf zijn’, van ‘het gedeeltelijk een ander zijn’.

M: Hm.

Narek: Ik zie dan ook andere dingen, dingen die er zijn maar er eigenlijk niet zijn. Ook zien mijn ogen de dingen dubbel. Het doet pijn aan mijn ogen. De vele torens van de gebouwen om me heen lijken te worden verdubbeld, verdriedubbeld soms, er zijn dan alleen nog maar torens in en om me heen, waar ik ook kijk.

Narek: Ik word misselijk in mijn buik, en draaierig in mijn hoofd.

M: Verzet je niet tegen de misselijkheid en de draaierigheid. Laat dat gevoel in je zelfs groter en sterker worden. Concentreer je daarom op de misselijkheid terwijl het steeds sterker en groter wordt.

M: Ga naar het moment dat je voor de eerste keer in je leven dit gevoel krijgt. Voel de misselijkheid in je buik, voel de draaierigheid in je hoofd, het dubbel zien, waar bevindt je je. Voel aan je lichaam of je zit, staat, ligt, of loopt.

 

DE HOOFDPIJN, DE SCHIZOFRENIE, DE TRANCE

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Ook voordat Narek ditmaal antwoordt, verschijnt een beeld op mijn paranormale scherm: Een vierjarig jongetje gekleed in korte broek.

Door een samenvallen van verschillende factoren manifesteert zich in de kleine jongen symptomen, pre-hallucinaties, die in klassieke (lees: traditionele) termen als schizofrenie zouden worden geclassificeerd. Narek is echter een paranormaal-religieuze boy, een medium in aanleg, zonder dat hij of zijn omgeving daar weet van heeft.

De oorsprong van (vermeende) schizofrenie is, althans op basis van het ervaren van bepaalde symptomen, te herleiden tot het persisteren van een aantal ‘basisvoorwaarden’. Op basis van mijn ervaringen als medium, voor een belangrijk deel congruent met de bevindingen van de Amerikaanse ziener Edgar Cayce (1877-1945), is er bij hallucinaties een predispositie op lichamelijk-, mentaal- en zielsniveau, met meer dan eens een uitlokkende (sociale) factor.

Echter, de inhoud van dat wat hallucinatie genoemd wordt – het beeld (visueel), de stem (auditief), het gevoel (somatisch), en soms ook de geur (olfactorisch) of de smaak (gustoir) – van schizofreen tot niet-schizofreen bestempelde aard, is altijd afkomstig uit de geestenwereld. Is astraal van origine, afkomstig van entiteiten, in enigerlei vorm, een die of dat, zich buiten het aardse plan bevindend.

Het lichaam en de geest van een persoon, patiënt of niet-patiënt, is daarbij het ontvangsttoestel, de radio, tv, laptop of iPad. De lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betreffende, de constitutie, genetisch bepaald of product van een moment, is de factor waardoor hallucinaties uit de astrale wereld wel of niet doorkomen.

De aanname in de psychiatrie dat bij een hallucinatie de prikkel uit de buitenwereld ontbreekt, is onjuist.

De prikkel wordt weliswaar ín de binnenwereld van de persoon waargenomen via registratie op het innerlijk ‘scherm’, de sensorische beleving, maar is extern van oorsprong. De zender kan de geest van een levend persoon zijn (telepathie), of afkomstig zijn uit de astrale wereld waar de doden wonen en werken.

Gijsbert van der Zeeuw (1912-1981), een internationaal gerenommeerde Nederlandse paragnost, tevens auteur, beschreef in Wanen of geesten: Gestoord of bezeten? Psychiatrische patiënten paragnostisch bezien (1979) de hallucinatie terecht als volgt:

“Wij spreken dan van hallucinaties of wanen, maar weten nu dat dit alleen zo is ten opzichte van de buitenwereld. Daarin is inderdaad geen ‘bron’ van deze indrukken aanwezig, maar wel bestaat de ‘bron’ ervan in de geestenwereld. Het begrip voor deze patiënten hangt dus zuiver af van het feit, of men al dan niet deze geestenwereld aanvaardt.”

De dichtheid van het energetisch veld van een persoon, de aura of gevoelslaag, is bepalend of er wel dan niet iets doorkomt vanuit de astrale wereld, en in welke mate. Zodra de aura een pak op zijn donder heeft gehad, vertoont deze scheuren, lekkage en klopt men bij de psychiater aan. De oorzaken van ‘lekkage’ worden gevonden in:

Endogene bronnen:
1. Genetische aanleg: sensitief zenuwstelsel en/of endocriene stelsel
2. Lichamelijke conditie: overbelasting, anorexia nervosa, duikverslaving
3. Disfuncties: gebrekkig werkende uitscheidingsorganen en eliminatiesystemen
4. Chronisch of tijdelijk tekorten: vitaminen en mineralen
5. Verslaving: alcohol, harddrugs, medicijnen

Exogene bronnen:
1. Psychologische factoren: trauma’s, stress, angsten die het zenuwstelsel belasten
2. Sociale factoren: oorlog, molest, culturele desoriëntatie, hersenspoeling, religieus fundamentalisme
3. Astrale factoren: bezetting door astrale parasieten/entiteiten uit huidige of vorige levens
4. Paranormale factoren: conflicterend gebruik mediamieke technieken, negatief mediumschap
5. Comorbide factoren: endogeen en/of exogeen
Door ‘lekkage’ kan informatie van positieve of negatieve entiteiten binnendringen in de waarnemingssystemen van de persoon: gedachten, stemmen, beelden.

(Uit: ‘Case of Ricardo B.: Study on Extrasensory Voice Hearing / Auditory Hallucination’. Martien Verstraaten, 2015)

De hallucinaties en het vaak dubbelzien van torens zoals minaretten, vindt bij Narek dan ook zijn oorsprong in de astrale factor, kort samengevat: zijn aura, de beschermende laag tussen de mens en de geestenwereld, vertoont bij grote emotionele beroering, scheuren. Entiteiten en hun gevoelens kunnen daardoor te vaak en te gemakkelijk zijn gevoel en gedachten beïnvloeden, met hallucinaties als gevolg.

De kleine Narek zal in zijn leven nog een moeilijke weg hebben te gaan, en de vraag rijst dan ook hoelang lichaam en geest het zullen volhouden. Narek blijkt voor zijn Ottomaans-Armeense incarnatie in Istanboel namelijk een set ‘talenten’ uit vorige incarnaties te hebben meegenomen van karmische aard. Nareks geest is, als gevolg van een vorig leven, bijna geobsedeerd door het goddelijke, het gevoel één met God te willen zijn. Het is een gevoel dat hem dagelijks beweegt naar kerk, gebedshuis of tempel te willen gaan, maar dat ook zijn ontwikkeling als kind in de weg staat. Van alle religieuze gebouwen in de stad blijkt de Blauwe Moskee op hem de meeste aantrekkingskracht te hebben. Ook de ligging van de moskee in het hart van de stad dichtbij andere woningen van God dragen er aan bij, het wordt zijn huis in de grote stad. De problemen in het schamele onderkomen waar Narek met zijn ouders woont zal de katalysator zijn die het broze evenwicht van zijn ziel en lichaam verstoort.

Op de (eerder) gestelde suggestie: ‘Ga naar het moment dat je voor de eerste keer in je leven dit gevoel krijgt. Voel de misselijkheid in je buik, voel de draaierigheid in je hoofd, waar bevindt je je. Voel aan je lichaam of je zit, staat, ligt, of loopt.’, antwoordt Narek.

Narek: Ik zit waar ik nu ook zit, op een van de treden, op de een na bovenste van de moskee, mijn plaatsje. De trede is koud, mijn hoofd vreselijk warm, en ik ben erg misselijk.

M: Welk tijdstip van de dag is het Narek?

Narek: Het is op het einde van de morgen, ik voel me heel raar.

M: Is er een aanleiding waardoor je je raar voelt?

Narek: Ik weet het niet zeker. Maar we hebben geen geld, papa en mama hebben geen eten meer. Ik ben verdrietig en bezorgd, ik wil voor hen zorgen maar weet niet hoe.

M: Hoe oud ben je?

Narek: Dat weet ik niet. Ik ben jong, nog heel klein, ben pas een paar keer jarig geweest nadat we in dit land en in deze stad zijn komen wonen.

M: Wanneer begon de hoofdpijn en werd je misselijk?

Narek: Toen ik van huis wegging, onderweg van huis naar de moskee. Alsof met een tang mijn hoofd werd vastgepakt.

M: Vertel maar precies wat je voelde, wat je ervoer.

Narek: Ik liep op straat, dacht de hele tijd aan papa en mama, was heel verdrietig. Ineens kwam er een brandende rivier in mijn rug die van beneden naar boven stroomde en mijn hoofd duizelig maakte. Nadat ik hier aankwam en ging zitten werd het erger en werd ik vreselijk misselijk.

M: Wat voel je nu Narek?

Narek: De misselijkheid is erger geworden, de hoofdpijn ook. Ik zie niet goed. Alles is anders in mijn hoofd, het is ook alsof ik iemand anders ben, er iets of iemand anders in mijn hoofd woont. Ook de mooie torens van de moskee zijn anders, het zijn er ineens veel meer, zoals ook de bomen in aantal verdubbelen.

M: Wat is het in je hoofd dat anders dan anders is?

Narek: Dat weet ik niet precies, het is anders dan ik me normaal voel.

M: Het is goed Narek. Ik neem je nu mee naar een denkbeeldig kamertje in de hoogste toren van de moskee. We gaan samen in het kamertje zitten en kijken naar beneden waar Narek zit. Je kijkt nu even met de ogen van de volwassen Gaudí naar het jongetje dat beneden op de treden voor de moskee zit.

M: Kijk naar beneden en vertel dadelijk wat u ziet als u naar het jongetje kijkt. Ik tel tot drie, en u vertelt bij drie wat u waarneemt. Een, twee, drie!

Gaudí: Ik zie het jongetje, ja. Hij maakt zich grote zorgen om zijn ouders waar hij veel van houdt. Hij wil hen graag helpen. De bezorgdheid veroorzaakt een grote kramp in hem waardoor hij het bewustzijn verliest en achterover valt, op de trappen van de moskee.

M: Kijk in zijn hoofd. Welke processen vinden er in zijn hoofd plaats?

Gaudí: Als ik naar het jongetje kijk zie ik dat hij ziek is, ziek van de zorgen door een vergroot verantwoordelijkheidsgevoel. Tijdens de kramp is het alsof hij daardoor in een andere wereld vertoeft, alsof door biologisch-chemische processen in zijn hoofd hij in een andere staat van bewustzijn komt. De ervaring is heel naar voor hem, althans vanaf zijn normale bewustzijn bezien. Maar, op het moment dat hij door de bewustzijnsbarrière heen is, verandert zijn ervaring, zijn gevoel. Eenmaal buiten bewustzijn, buiten het normale bewustzijn zoals we dat kennen, komt hij terecht in een ander zielsgebied, in een ander rijk, zoals tijdens de slaap waar men als in een ziekenhuis kan herstellen van de dag.

Gaudí: Terwijl hij buiten bewustzijn achterover ligt op de trappen komt een oudere man uit de moskee die zich over hem ontfermt.

M: Kijk gedetailleerd naar de man, hoe ziet hij er uit?

Gaudí: De al wat oudere man, niet zo heel groot, heeft dunne grijze haren, een beetje lang. Hij wordt mijn tweede vader, de vader van mijn ‘huis op straat’ op de trappen voor de moskee.

M: We verlaten nu de denkbeeldige kamer in de hoogste toren en u komt terug in het lichaam van Narek die op de trappen ligt. Ik tel tot drie, en u bent weer terug in het lichaam van Narek en ontwaakt uit zijn bewusteloosheid, een, twee, drie…

De kleine Narek die nog achterover ligt op de trappen doet zijn ogen weer open. De oudere man bevindt zich intussen geknield naast Narek en buigt zich over hem heen.

M: Wat voel en zie je Narek, nu je weer bij kennis bent?

Narek: Ik voel me beter, alsof ik uitgerust ben. Ik kijk in de ogen van een lieve man. Hij zit geknield bij me en houdt mijn hand vast. Hij is als een vader.

M: Narek, we spoelen jouw levensfilm verder de toekomst in. Ik spoel je door naar een moment als straatjongen waarbij de hallucinaties zich het meest krachtig manifesteren.

 

BUITENZINTUIGLIJKE GENADE, DE HEILIGE THERESIA VAN ÁVILA GELIJK

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Opnieuw voordat Narek antwoordt, manifesteert zich een beeld op mijn extrasensorische scherm: Religieuze psychose en catatone stupor op de hoek van de boulevard.

Narek is intussen een volwassen puber. Met hallucinaties is door schade en schande hij vertrouwd geraakt, het is een deel van zijn leven geworden. Zijn vader is overleden, zijn moeder hulpbehoevend, bijna blind. Met ambulante straatverkoop voorziet hij in het schamele levensonderhoud. Zelf heeft hij niet veel nodig. Met enkele dadels en een paar krenten op zak, leeft hij dagen. De karige verdiensten gaan naar zijn zieke moeder. De oudere man, die muezzin in de moskee is, en die hem als kind overeind hielp en als een vader voor hem was, is vriend en raadgever geworden.

Narek staat stil op de hoek van een boulevard nabij het centrum op weg als hij is naar de trappen van de moskee, zijn ‘huis’ in de stad, zijn universiteit, waar hij kan denken, dromen en hallucineren. Voordat Narek de hoek bij een groot gebouw omgaat en een sprongetje in de lucht maakt, ondergaat hij door religieuze euforie gedreven zeer krachtige emoties die evenzo krachtige hallucinaties genereren, waarbij zijn lichaam verstijft als bij catatone stupor, en waarbij ook de tijd in hem als in een stomme film lijkt stil te staan.

Hij is in aardse termen dood zonder dood te zijn, alsof zijn sprongetje in de lucht bevroren werd, gefixeerd tussen hemel en aarde. Het is overigens wel een heldere dag. En welhaast zeker is dat de katalysator van zijn op dat moment ontstane religieuze psychose.

Het is het prachtige licht dat hem vanuit de verte tegemoet straalt als hij de hoek van de boulevard omgaat en hij aan de stadse horizon de silhouetten van de torens opnieuw ziet. De vele minaretten versterken de religieuze euforie die al jaren in zijn binnenste woont en er krachtig huishoudt, en door het hallucineren worden de minaretten in aantal van verdubbeld tot verviervoudigd. De minaretten worden daardoor voorgoed tot symbool van zijn religieuze inborst.

In metafysische termen ondergaat Narek een religieuze trance, in oudtestamentische terminologie verwant aan verschijningen, een mystieke genade, zoals ook de middeleeuwse mystica Theresia van Ávila (1515-1582) meermalen te beurt viel (Cangas et al., 2009).

In psychiatrische termen echter, ondergaat Narek een religieuze psychose of waan die zich fysiek vertaalt in catatone stupor, door de bedillerige psychiatrische DSM-‘bijbel’ geclassificeerd met code 295.2/ICD-code F20.2.

Ook de heilige Theresia van Ávila onderging door religieuze extases, welke met de marmeren sculptuur van Gian Lorenzo Bernini vlijmscherp in beeld werd gebracht, repercussies op lichamelijk vlak. Na haar eerste mystieke genade in 1535 na het lezen van een stichtelijk boek en haar biecht op Maria-Tenhemelopneming in 1539 raakte ze namelijk schijndood, en dat gedurende drie volle jaren.

In triviale jongenstermen wil Narek het liefst bij God of Allah, het is voor hem eender, op de koffie gaan, zijn persoonlijke assistent worden: altijd en overal, in heden en verleden. Zijn ziel is sinds enige incarnaties doordrenkt van religie, incarnaties waarbij hij doorschoot in de mate van religieuze beleving. Door de handicap in het leven van Narek, de hallucinaties die hem begrenzen, moet hij nu pas op de plaats maken, zich beperken: een karmische levensles.

Narek wil het werk van de Schepper uitdragen, zijn pr-manager worden, moskeeën bouwen, kerken, torens, minaretten, desnoods met blote handen. Zijn zielenroerselen lijken op een religieuze psychose. Ware het niet dat op basis van een dergelijke kwalificatie we geschiedkundig en kunsthistorisch alle martelaren, heiligen, mystici en niet te vergeten zieners en spirituele mediums, met terugwerkende kracht ook zouden moeten opsluiten achter de elektrisch beveiligde hekken van een psychiatrische inrichting.

Narek, noch zijn inwonende ziel, is ondanks het stempel dat hij eens van enkele toegesnelde hulpverleners kreeg geen psychiatrische patiënt, maar een in aanleg visionaire jongeman die mediamieke talenten bezit welke qua verschijningsvorm abusievelijk voor psychiatrische storingen worden aangezien (Stephen 1990).

Narek: Ik ga een hoek om in mijn stad, Istanboel, bij de boulevard, ben 12 jaar zoals ik heb gehoord. Bij het weerzien van de vele ranke torens van de moskeeën in de verte tegen een prachtig roze met grijze lucht, raak ik overweldigd door emoties en maak een sprongetje in de lucht.

M: Vertel verder.

Narek: Ik wil zo graag bij God zijn, de schepper van alles, deel uitmaken van de schepping, maar ik weet niet hoe dat te doen. Als ik de torens zie is het alsof ik ooit zelf de maker van de torens was. Het is alsof de geesten van de makers van de torens in me wonen en zonder woorden tot me praten, ik hoor hun woorden zonder de taal te kennen, maar mijn gevoel begrijpt het. Ook zij wilden bij hun God zijn.

M: Vertel verder

Narek: Ik ben Narek, maar als ik door iets emotioneel bewogen wordt, een soort trance met hoofdpijn, is het alsof ik óók een van de bouwers van de torens ben, en bouwer van een van de moskeeën. En van binnen weet ik dat sommige torens door andere personen gebouwd zijn dan de moskeeën zelf. Maar mijn hoofd is te klein en te nauw om zoveel anderen er in te laten wonen. Ik wil het en wil het ook niet, want ik houd van de bouwers van de torens die soms in mijn hoofd zitten, maar het is te veel en te druk waardoor ik vaak het bewustzijn verlies. In plaats van meer in mijn hoofd moet er minder in, en wil er wat uit, dat wat ik wil vertellen over God en de wereld. Maar ik weet niet hoe ik het vele wat ik voel, zie en ervaar, naar buiten kan brengen, hoe het van binnen mijn hoofd naar buiten mijn hoofd kan brengen. Ik ben geen torenbouwer maar een straatjongen, het enige wat ik kan is denken en kijken naar de pracht van de torens die naar de hemel rijken, en hopen dat ik niet te vaak flauw val.

Vanuit moderne reïncarnatietherapie bezien ervaart Narek deels (pseudo-)obsessies (Ten Dam 2013). Doordat Narek mediamiek (paranormaal) is, een receptieve geest heeft en gemakkelijk in en uit zijn lichaam kan treden, hebben zowel entiteiten (geesten) uit vorige levens gemakkelijk toegang tot zijn zenuwstelsel en gedachtengoed (obsessies), alsook de eigen herinneringsbeelden uit zijn vorige levens van vóór Narek (pseudo-obsessies), toen hij waarschijnlijk óók al een gepassioneerd architect of bouwheer van moskeeën, tempels of andere religieuze bouwwerken was. Een hoofd kan daardoor erg ‘vol’ komen te zitten, en met reeksen aan hallucinaties tot gevolg.

M: Vertel verder.

Narek: Als ik met een sprongetje de hoek om ga bij het gebouw op de boulevard word ik plotsklaps stijf als de steen van de moskeetrappen. Ik val, alsof het jaren heeft geduurd, uiteindelijk op de grond en kan me niet meer bewegen, zelfs mijn oogleden en ogen niet die gesperd open zijn blijven staan. Omstanders buigen zich over mij en ik kijk hen aan zonder mijn ogen te bewegen. Dood ben ik niet, dat voel ik en weet ik, maar mijn lichaam lijkt dood. Met geen mogelijkheid kan ik mijn lichaam bewegen. Mijn ademhaling is mondjesmaat, onhoorbaar en traag als een fakir.

M: Vertel verder wat je ziet, voelt en beleeft.

Narek: Ik word opgehaald en kom in een mooi wit bed te liggen in een soort ziekenhuis. Een speciale dokter, een man, bestudeert met vragen en onderzoeken de ziekte van de volledige stijfheid. Door de rust en de dokter verdwijnt na enkele weken de stijfheid.

Door het werk van de dokter worden mijn ogen geopend en ontdek ik hoe ik ooit mijn dromen zou kunnen verwezenlijken. De dokter heeft zijn doel bereikt door eerst te studeren voor dokter voordat hij dokter werd. Om mijn doel te bereiken, God en de schepping te dienen, zal ik dus eerst moeten studeren. Het geeft me een rustig gevoel, er is een uitweg. Maar ik word opnieuw onrustig bij de gedachte dat ik niet weet hoe en waar zonder geld ik kan studeren voor mijn plan.

Na enige tijd zit ik weer als vroeger op de trappen van de moskee, en mijn trouwe vriend en stadse vader, Mehmet, die in de moskee werkt, gaat me helpen.

Nareks leven blijkt een intermezzo te zijn tussen zijn incarnatie vóór Narek en zijn leven ná Narek, als architect Antoni Gaudí. Oftewel: het intermezzo van ‘Narek de hallucinerende’ werd opgevolgd door het leven van ‘Gaudí de mediamieke’.

M: Narek, ik spoel zo dadelijk je levensfilm verder, naar een andere episode, naar de laatste fase van je leven.

 

OP WEG NAAR GOD, OP WEG NAAR LA SAGRADA FAMÍLIA

Extrasensorisch filmbeeld en achtergrondscenario
Opnieuw voordat Narek antwoordt, manifesteert zich een beeld op mijn paranormaal scherm: De god van de minaret die Allah heet.

Narek is in lengte gegroeid, telt om en nabij de 17 levensjaren en bevindt zich aan einde pubertijd begin volwassenheid. Hij staat kaarsrecht en met de rug naar de moskee gekeerd aan de rand van de trappen. Hij kijkt met een rustige en zelfs enigszins cerebrale blik, bebrild de wereld in, draait zich om en loopt de moskee binnen.

Zijn hele puberteit heeft Narek hallucinaties gekend. Beelden van mensen en goden die niet bestonden maar toch bestonden in zijn geest, en de steeds maar weer terugkerende verveelvoudiging van de vele minaretten op zijn innerlijk oog, de torens van de moskeeën. De mannen met baarden die hij zag, maar die er niet waren, en die geleken op de afbeeldingen van heiligen uit boeken die zijn ouders opensloegen na het bidden.

Mehmet die muezzin is in de moskee en die Nareks religieuze bewogenheid al jaren kent wil hem heel praktisch een veilige haven bieden, en wil hem introduceren in de hoogste regionen van de moskee. Dit met de gedachte hem te laten bekeren tot de Islam waardoor hij misschien ook eens muezzin kan worden. Narek, van oorsprong Armeens christen, wil, hoe verleidelijk de minaretten ook mogen lonken, zich uiteindelijk niet laten bekeren tot de Islam. Als christen kan hij geen muezzin worden, maar kan hij Mehmet misschien wel af en toe assisteren als deze de minaret beklimt om op te roepen tot het gebed. Door de jaren heen is de minaret voor Narek het symbool van God geworden, de Allah van Mehmet, van de Schepper, die overal oog voor heeft, het alziende oog.

M: Ik spoel nu je levensfilm verder, naar een nieuwe episode, naar de laatste fase van je leven.

Narek: Ik sta voor de moskee, mijn moskee, mijn huis in de stad, met de rug naar de ingang gekeerd. Zojuist ben ik de trappen opgelopen en na de laatste trede heb ik me omgedraaid. Met de rug naar de ingang gekeerd sta ik aan de rand van de trappen, kijk de wereld in en ben in gedachten verzonken.

M: Vertel verder, welke gedachten heb je?.

Narek: Mehmet wil met me praten, hij heeft me uitgenodigd voor een gesprek. Hij wil dat ik moslim word, en hem vandaag een antwoord geef.

M: Wat heb je besloten?

Narek: Ik zal geen moslim worden. Mijn Armeense ouders waren christen, geloofden in de christelijke God, in Jesus en in de heiligen, niet in Allah en Mohammed. Ook ik ben als christen geboren.

M: Waarom zijn de trappen voor de moskee sinds vele jaren je huis en niet de Armeense kerk?

Narek: Dat weet ik niet goed. Het is ook een gevoel. Als Armeense christenen hebben mijn vader en moeder mij geloof ik een keer meegenomen naar hun kerk, maar ik heb er weinig herinnering aan. Ons geloof was ook ongewoon, we moesten voorzichtig zijn. Maar toen op een dag, ik wandelde aan de hand van mijn ouders, ik voor het eerst de vele prachtige torens zag in het hart van onze stad, voelde ik me thuis, werd ik gelukkig, trilde ik over mijn hele lichaam. De torens van deze moskee zijn gewoon de mooiste van Istanboel.

M: Aha, vertel verder.

Narek: Ik houd van de torens van de moskee, maar ik wil geen moslim worden, zoals veel van mijn Armeense vriendjes moslim lijken te zijn maar in hun hart christen zijn gebleven.

Narek: Mehmet is een beetje teleurgesteld, zo lijkt. Hij vertelt me dat ik daardoor nooit muezzin kan worden, maar hij zal als de gelegenheid zich voordoet me een keer meenemen naar boven, naar de ruimte hoog boven in de minaret waar hij als muezzin oproept tot gebed.

M: Vertel verder.

Narek: Na een lange periode is het lot me gunstig gezind. Mehmet wordt ouder en zijn benen doen steeds meer zeer bij het beklimmen van de minaret, ook zijn ogen worden minder. Hij wil zijn dagelijks werk als muezzin niet opgeven en vraagt me hem af en toe te helpen en ondersteunen bij het beklimmen van de hoge toren.

Narek: Daardoor word ik eigenlijk Mehmets assistent.

M: Wat voel je als je de minaret beklimt en de stad van bovenaf kan zien?

Narek: De beklimming is indrukwekkend, ik ben op weg naar God, gaat er door me heen, ook al heet God in de moskee Allah. Het is moeilijk te beschrijven wat ik voel. De kracht, het gevoel, de emotie in me is zo sterk dat ik bijna geen adem meer krijg, ik duizelig word waardoor ik Mehmet bijna niet meer kan ondersteunen.

Dit is wat ik altijd wilde, waarop ik mijn hele leven gewacht heb. God woont hoog boven mensen, zo gaat er door me heen, ergens ver boven de minaret in een hoge hemel, en met elke stenen trede omhoog kom ik dichter bij Hem, bij de Schepper.

De beklimming van de toren en het gelijktijdig ondersteunen van Mehmet is zwaar. Ik raak als zovele keren in mijn leven in een hoofdpijntrance met lichtflitsen, maar zo krachtig als ik niet eerder heb ervaren. Het moeten ondersteunen van Mehmet zorgt er voor dat ik niet volledig bewusteloos raak, ik probeer trede voor trede rustig te ademen, heel spaarzaam met de ingeademde lucht om te gaan. Ik zal en moet Mehmet helpen.

Narek: Tijdens het belopen van de vele stenen treden verschijnen er mannen die er zijn maar er ook niet zijn. Het zijn mannen die de minaret bouwen of bouwden, werkers, maar het is niet nu, het is in een ander nu, zo voel ik, het is in een nu van het verleden, want ze hebben andere kleding aan dan wij hebben. De werkers lopen af en aan, maar ze zien mij niet, en soms lopen ze gewoon door mij en Mehmet heen alsof we niet bestaan. Elke steen die door hen wordt aangevoerd en geplaatst wordt vooraf ritueel behandeld door hem even in de hoogte, op borsthoogte, te houden als bij een offerande voor de Schepper waarbij hun lippen een onhoorbaar gebed murmelen. De minaret in aanbouw moet vooraf tot in details aan God of Allah worden aangeboden. Ik krijg het sterke gevoel dat ik de werkers zelf de opdracht gegeven heb of hen heb aangestuurd. Maar dat kan niet want ik leef nu en zij toen, of kan het misschien toch, ik weet alleen niet hoe het kon of kan.

Meer dood dan levend komen Mehmet en ik boven aan. Ik kan en mag niet op het ronde balkon komen vanwaar Mehmet de oproep tot gebed doet, ik ben geen muezzin. Maar ik kan wel door de opening van de minaret heen kijken die toegang geeft tot het ronde balkon dat zich om de ranke toren slingert. Ik zie de eindeloos wolkenlose hemel boven de stad die in de diepte ligt.

Narek: Mehmet heft zijn stem aan en roept op tot gebed. Ik raak volledig van slag. De stem, de toon, de zangerige klank als bakens in de zee, het ritme van Mehmets stem, de duidelijkheid vanuit zijn hart die het gevolg is van jaren betrokkenheid bij zijn God, bij Allah, raakt me als een donderende onweersbui boven de Gouden Hoorn, het water aan de Bosporus, doet alle cellen in mij trillen, beven zelfs, herleidt mij tot onzichtbare atomen die dreigen de samenhang met elkaar te verliezen. Te midden van een woud aan minaretten voelde ik me nooit eerder zo dicht bij God, en nooit eerder als mens voelde ik zoveel gevaar: de werkelijke aanblik of nabijheid van God of Allah moet verwoestend zijn als de ervaringen van oudtestamentisch profeten waarvan ik heb gehoord.

Met Mehmet daal ik, nog half buiten bewustzijn, de trappen af. De afdaling gaat gemakkelijker, maar ik ben aangeslagen, doodmoe en hevig naar adem snakkend. De ervaringen in de toren is overweldigend geweest, alsof de toren zich in mijn lichaam en geest genesteld heeft, alsof ik de toren ben, een toren wil zijn, die Gods woord wil verspreiden. Bij de afdaling ondersteun ik Mehmet opnieuw en tegelijkertijd zoek ik steun en houvast bij hem omdat de krachten steeds meer uit me weg glijden en ik het gevoel krijg dat het leven in mij op het punt staat mij voorgoed te verlaten. Wat ik graag wilde is vandaag gelukt, heel dicht bij het godsgevoel kunnen komen.

Narek: Als ik bij de afdaling opnieuw de doorzichtige werkers tegenkom komt de wens in me op om zelf torens te willen bouwen, een leven volledig in dienst willen stellen van God, een kerk willen bouwen met de allure van een moskee, met vele hoge toren, ter ere van God en de Heilige Familie.

Beneden aangekomen zak ik op de trappen in elkaar, mijn ademhaling hapert, mijn hart begeeft het, de vele emoties jarenlang hebben hun tol geëist. Mehmet buigt zich opnieuw over mij heen als een vader zoals de eerste keer tijdens mijn vroege kindheid. Ik blaas de laatste adem uit en ga op weg naar een onbekende rustplaats tussen hemel en aarde en straks naar een ander land, een land met misschien nieuwe torens aan de horizon.

M: Narek, dank voor je bijzondere reis, kom terug in de positie als entiteit die je was en bent na Gaudí´s dood.

Gaudí: Zo is het.

 

_______

NOTEN EN AANBEVOLEN LITERATUUR

Agosin T. (1989). Mysticism and Psychosis. Cafh A path of spiritual unfolding. Geraadpleegd op 28 juli 2018, via https://bit.ly/2uTYhmk

Arroyo S. (2015). Astrology, Karma & Transformation: The Inner Dimensions of the Birth Chart (2nd Revised edition). Sebastopol CA: CRCS Publications.

Baldwin W. (1991). Regression Therapy. Spirit Release Therapy. Carmel CA: Center for Human Relations.

Cangas AJ., Sass LA., Pérez-Álvare M. (2009). From the Visions of Saint Teresa of Jesus to the Voices of Schizophrenia. Project MUSE. The Johns Hopkins University Press. Geraadpleegd op 29-07-2018 via https://bit.ly/2v1E8L1 .

Cerminara G. (1970). Many Mansions: The Edgar Cayce story on Reincarnation. New York: Slone.

Dam H. ten. (2013). Catharsis, Integratie en Transformatie. Ommen: Tasso.

Foucault M. (2013). Geschiedenis van de waanzin in de zeventiende en achtiende eeuw. Amsterdam: Boom

Fiore E. (1995). The Unquiet Dead: A Psychologist Treats Spirit Possession. New York City, NY: Random House.

Freire P. (1980). Pedagogiek van de onderdrukten. Baarn: Anthos

Illich I. (1971). Deschooling Society. London: Marion Boyars Publishers

lllich I. (1975). Limits to medicine. Medical Nemesis: The expropriation of Health. Harmondsworth: Penquin

James W. (2008). The Varieties of Religious Experience. Charleston: Bibliolife

Larivée S. et al. (2013). Les côtés ténébreux de Mère Teresa. Studies in Religion/Sciences religieuses. Montreal: l’École de psychoéducation de l’Université de Montréal.

Lucas WB. Regression Therapy: The Handbook for Professionals. Two Volumes. [bevat indicaties voor obsessies]. Crest Park, CA: Deep Forest Press.

McMillin D. The Treatment of Schizophrenia: A Holistic Approach is a scholarly work written in APA (American Psychological Association) style. Virginia Beach VA: A.R.E. Press.

McMillin D. Case Studies in Schizophrenia Virginia Beach VA: A.R.E. Press.

Praag HM. van. (2008). God en Psyche, de redelijkheid van het geloven. Visies van een Jood. Amsterdam: Boom

Praag HM. van. (2013). Het verstand te boven. Amsterdam: Boom

Reus T. de. (2011). God, religie en ons brein z.p.: Kok

Sass L.A. (1994). Madness and Modernism: Insanity in the Light of Modern Art, Literature, and Thought. Cambrigde: Harvard University Press.

Stace WT. (1987). Mysticism and Philosophy. New York: Jeremy P. Tarcher

Stephen HJM. (1995). Winti en hulpverlening; een bijdrage aan de gezondheidszorg in multicultureel Nederland. Amsterdam: Stephen

Stephen HJM: (1990). Winti en psychiatrie; geneeswijze als spiegel van een kultuur. Amsterdam: Karnak

Stephen, H.J. (z.j.) Winti. In eigen beheer. Geraadpleegd op 5 april 2015 via http://bit.ly/1F5c22h

Verstraaten MJG. (2010) Ayrton Senna: Mijn vorige leven als Tibetaanse monnik (hoofdstuk 4, in): Vlinders kunnen niet Dadelen en Dadels kunnen niet Vlinderen. Genetica van een innerlijke & uiterlijke carrière. Nederland / Curaçao, Nederlandse Antillen: Destinations NV – Intuïtieve Intelligentie. ISBN 978-90-812836-5-6 / NUR 762.

Verstraaten MJG. (2016) Lola Flores – Een geest klopte bij me aan. Mediumistic Journalism. Geraadpleegd op 4 november 2017, via http://bit.ly/2yjnSaW

Verstraaten MJG. (2016) Lola Flores: Mijn vorige leven als Franse balletmeester. Mediumistic Journalism. Geraadpleegd op 4 november 2017, via http://bit.ly/2hGZXrB

Weiss BL. (1988) Many Lives, Many Masters. New York: Simon Schuster.

Woolger RJ. (1988). Other Lives, Other Selfs: A Jungian psychotherapist discovers past lives. New York: Bantam Books.

Woolger RJ. (1993). Regression Therapy: A Handbook for Professionals, (2 volumes). Crest Park, CA: Deep Forest Press.

Zeeuw G. van der. (1979). Wanen of geesten: Gestoord of bezeten? Psychiatrische patiënten paragnostisch bezien. Deventer: Ankh-Hermes.

Zubin J., Spring B. (1977). Vulnerability – A new view of schizophrenia. Journal of Abnormal Psychology, 86(2), 103-126. Geraadpleegd op 5 april 2015 via http://bit.ly/2xJfTR1

Update 04-09-2018

__________________________________________________________________________________

© MARTIEN VERSTRAATEN
Psychic & mediumistic healer. Past life regression therapist.
Into practice since 1985 (Holland, Curaçao, Brazil, Spain).

Mediumistic journalist. Author.

Formerly professor of visual arts
HAN University of Applied Sciences,
Department of Visual Arts, Nijmegen, Holland.

Formerly professor of visual arts & metaphysical methodology
NHL University of Applied Science
Formerly Faculty of Education of the Leeuwarden Polytechnic,
Department of Visual Arts, Groningen/Leeuwarden, Holland.

Formerly governor of art and culture
Member of the board for Cultural Advice of the County of Groningen
Groningen, Holland
Member of the general board of the Groninger Museum
Groningen, Holland

_______________________________________________


DESTINATIONS
– Laboratory for Intuitive Intelligence
Spain – Holland – Curaçao – Brazil
CONSULTORIO PARANORMAL ANDALUCÍA
Jerez de la Frontera, Cádiz, Spain

www.martienverstraaten.com
information@martienverstraaten.com