Levensgevaarlijke bolderkaramateurs die plastic botervloten vol kinderlevens besturen

Stint

Foto: Wikipedia / Stint

Vanaf dag één wist je, paranormaal of niet, dat die krengen (Stints) niet deugden. Ook de o zo behulpzame binnen- of buitenschoolse moeders en vaders die al staand achter het bakje de blije wereld in keken, deugden en deugen niet, althans als vervoerder voor kinderen die nog een leven lang voor zich hebben. Natuurlijk deed ik het vroeger als een eenouder, stukken beter. Met een deeltijdbaan liet ik twee kinderen via een abonnement op een taxidienst dagelijks ophalen. De kosten, ach, een paar flesjes Belgisch bier en een pakje shag per week minder. Maar in geen geval, nimmer, vertrouwen op bolderkaramateurs die ingeval van een aanstormende trein de kar vooraf niet de berm in hadden kunnen sturen. Een ervaren beroepschauffeur zou dat namelijk wél hebben kunnen doen.

Meneer Stint, Edwin Renzen, lulde vanaf dag één onveilig uit zijn kindvriendelijke nek: hij moest per se naar Oss, dezelfde dag. Hij zou vreselijk hebben gehuild, dat ook. Om de te betreuren doden? Het ging om de veiligheid, om kinderen, niet om geld. Maar ach en o wee, wij van het paranormaal verbond van zichtbare en onzichtbare zieners wisten wel beter, het ging meneer Stint wellicht meer om de duiten, om zijn bedrijf en de terechte dreiging van het volledig instorten van de rechtopstaand bestuurde plastic badkuipenfirma.

Gammele zonder metaal verstevigde badkuipen met één enkel knijpremmetje bestuurd door alternatieve dwaallichten, vaak tieners, die vele pondjes kindervlees onder hun hoede hadden en die bij de minste of geringste oneffenheid op de weg de macht over het stuur verloren. Zowel van de plastic badkuipen botervloten als ware het de nieuwbouw van het Stedelijk Museum in het klein, van zichzelf, als van het leven van kinderen die vertrouwen hadden in een blije leenmoeder of vader zonder enige rijervaring.

En vanaf dag één konden we de leugens van Remzen beluisteren die declameerde dat niet eerder problemen met de Stints zouden hebben plaatsgevonden. De harde werkelijkheid zoals we dat paranormaal waarnamen bleek achteraf te worden bewaarheid: de kar met inhoud bleek eerder al in Bodegraven en Baarn op een overweg stil te hebben gestaan: remmen die weigerden, een kar vol kinderen reed een bejaarde aan in Haarlem, hersenschudding, en in Amsterdam kon de bestuurder de kar alleen nog via het contactsleuteltje tot staan brengen.

Dat de smakelijke verhaaltjes van meneer Stint op de eerste dag, goed voor bij het kinderkampvuur in de bovenbouw, op opportunistisch drijfzand waren gebouwd bleek vandaag uit zijn reacties op het besluit van de Nederlandse minister van Infrastructuur en Waterstaat die de krengen vanaf dinsdag 2 oktober 2018 00:00 uur verbood de Nederlandse wegen nog te bevolken.

De voorheen nog zo met ‘volledige veiligheid’ omgeven meneer Stint wilde nergens van horen, wilde eerder zijn badkuipen niet uit eigen beweging terugroepen. Advocaten werden zelfs door hem ontboden, zozo, ferme taal. Het besluit van de minister zou een te grote maatschappelijk impact hebben, de veiligheid van duizenden kinderen zou er niet mee gediend zijn. En… zo we paranormaal moeten aannemen, de wellicht werkelijke ware reden, afgedrukt in het AD van 1 september: ‘langer dan een half jaar houden we het financieel niet meer vol’, zo declameerde Renzen met droge ogen.

Dat er onverlaten op de wereld rondlopen die technisch controversiële bedrijfjes blijken te runnen, weten we. Dat diverse overheden, Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) in dit geval, vergunningen afgeven die technisch stront in de ogen hebben of willen hebben, onbekwaam zijn, weten we ook. Dat ouders geen greintje verstand blijken te hebben en hun kinderen uitbesteden aan wezensvreemde bijstandsmoeders en vaders die zo nodig een gammel karretje moeten aansturen, is onverklaarbaar, althans voor mij.

Verklaarbaar is wel de verandering in en de betrokkenheid bij de opvoeding van kinderen die ik in meer dan een halve eeuw heb kunnen waarnemen. De voortschrijdende institutionalisering van het leven van zuigeling tot aan adolescent is in 50 jaar alleen maar pregnanter geworden. En weer blijkt het gedachtegoed van de pedagoog Paolo Freire en pedagogisch maatschappijcriticus Ivan Illich (Celebration of Awareness: a call for institutional revolution, 1971) meer dan actueel te zijn: het gevaar van de institutionalisering van de samenleving. Peuters en kleuters, althans in Nederland, moeten examens afleggen.

Tenslotte moeten zelfs driejarige peuters op last van de onderwijsinspectie gehoord de onderwijsraad (lees: multinationals) worden klaargestoomd voor een gestroomlijnde ontwrichtingsmaatschappij van stelende bonusjongens en meisjes. Peuters en kleuters worden verplicht getoetst (inspectie): taalontwikkeling en ordeningsprincipes, kunnen een A (goed) of een D (slecht) scoren. Kunnen zoals blijkt, her en der ook een muts opgezet krijgen van pedagogen, voor de nasometer, om de mate van nasaliteit (neusspraak) te toetsen! Welkom in pedagogisch Nederland, de dictatuur van de oude Sovjet Unie gelijk: de staat zorgt voor de kinderen.

Jaren geleden las ik een oproep per advertentie waarbij een zorgmoeder werd gevraagd voor de opvoeding en/of bewaring van een pasgeboren baby, en wel voor een belangrijk deel van de dag, tig dagen per week. Vader en moeder hadden het te druk met belangrijkere bezigheden, wellicht werk.

Huh?! Een pasgeboren baby, en vader en moeder hadden geen tijd, namen geen tijd? Ze leefden niet onder de gloeiend hete zon ergens in verdord Afrika en zwoegend voor de kost, maar in NL. Bij Antilliaanse (gebroken) gezinnen en in het hart van de Balkan, in rurale gebieden in oorlogstijd waar maarschalk Tito eens heerste, werden kinderen wel vaker aan de zorg van derden, vaker grootouders, toevertrouwd, soms zelfs gedurende de hele kindertijd. Maar in Nederland, en bij een relatief hoog opgeleid gezin dat natuurlijkheid en Keltisch zout hoog in het vaandel zou hebben staan?

Bij nadere bestudering van de oproep bleek tot mijn grote verbazing de baby een van ‘mijn’ vrijwel onbekende (biologische) kleinkinderen te zijn. Nooit geweten dat dergelijk ‘sociaal’ gedrag ik genetisch zou kunnen hebben doorgegeven. Zeker niet aan een kind, de huidige ouder van de toenmalige baby, die zelf decennialang tot op hoge leeftijd de bek vol had over aangedaan jeugdleed en ander ingefluisterd trauma´s. Dit, doordat de aanbeden moeder buiten beeld was geraakt en de vader het met veel venijn moest ontgelden.

Het lichten van de karmische doopceel van de betrokkene zou wellicht enig licht geven waarom deze ‘koos’ om op termijn in een eenouder gezin te worden opgevoed.

Welke lessen van persoonlijke koestering versus carrière zouden wellicht moeten worden geleerd? Had de betrokkene in een eerdere incarnatie pedagogisch er wellicht zelf met de pet naar gegooid, de borelingen wellicht ingeruild voor de eigen carrière? Een bekend draaiboek in de praktijken van reïncarnatietherapeuten waarbij de kosmische pendel bij cliënten aan de orde van de dag is: in het ene leven slachtoffer en in het andere leven de agressor, de ene keer straatarm de andere keer een leven als geborneerde bonusman of vrouw.

Medelijden heb ik met de kinderen van de bolderkaramateurs, niet alleen de vier dode, maar ook de levende, die in vrijwel identieke turquoise of cyclaamrode poncho’s gekleed gaan alsof ze allen dezelfde vorige levens zouden hebben gehad in plaats van hebben vertoefd in rijkgeschakeerde incarnatielijnen. Medelijden heb ik met kinderen die klakkeloos in een rijdende plastic botervloot worden gepropt en zich niet realiseren welk gevaar ze oplopen door zich te nestelen onder bedenkelijke vleugels van wereldvreemde zorgmoeders en vaders met blije gezichten.

Kinderen besteedt je niet uit, alleen in bittere noodzaak. De Stints met een halve knijprem en met elektronisch broddelwerk heeft dat hopelijk duidelijk gemaakt, zoals ook de wantoestanden in vele, vele kinderdagverblijven dat deden. Het Hofnarretje en Jenno’s Knuffelparadijs waar Robert M. de scepter zwaaide spanden daarbij wel de criminele kroon.

In tegenstelling tot mediterrane, Zuid-Amerikaanse en Aziatische landen zijn er in Nederland per provincie of regio veruit meer kinderdagverblijven of buitenschoolse opvang dan bakkers, belwinkels, cafés of ordinaire shoarmazaken. Kinderen voedt je zelf op zoals je ook zelf je voedsel bereid?

Kinderen besteedt je nooit uit.

Zeker niet aan bolderkaramateurs die dagelijks ongetraind een overweg moeten passeren. En ouders die hun kinderen meegeven aan een dergelijke ‘levende pakketdienst op wieltjes’ moeten een pak op hun sodemieter krijgen, letterlijk, of karmisch.

 

_____

Door de overgang oktober 2018 van deze website naar een Spaanse hosting provider, verdween deze column, nummer 1.30, abusievelijk enige tijd van de radar.

 

TOEGEVOEGD 13-12-2018

Tussen het schrijven van de column over de verderfelijke Stint, en het uitkomen van het vernietigende rapport van TNO, vandaag, ligt twee en een halve maand. Op de gebruikte verf en de lucht in de bandjes na is er niets aan de Stint dat met veiligheid te maken heeft. Het rapport van TNO met fel rode blokken in ogenschouw nemend, is het veiliger om in de mond van een tweejarige peuter drie illegale vuurpijlen tegelijk af te steken dan hem of haar in een Stint te laten plaatsnemen.

Opnieuw vraag ik me af: ben ik als paragnost een buitenbeentje om vanaf dag één te kunnen zien en weten dat de plastic botervlootbolderkar Stint nooit op de weg had gemogen. Elke boerenlul kon en kan dat weten. En opmerkelijk, dat het door ouders gesteund kinderdagverblijf ‘Het Kinderstraatje’ naar de rechter stapte om de Stint alsnog op de weg te krijgen. Zijn ouders van nu te rottig om zelf voor hun kroost te zorgen, hen zelf naar school te brengen? De dubbele oprijlanen in het Gooi en zelfs de parkeerplaatsen in achterstandswijken puilen uit met auto´s, ingeval de gang met een fiets met zitje teveel gevraagd zou zijn. Shame on you, ouders van nu, gemakzuchtige hufters, samen met de Nederlandse overheid (RDW) die de plastic doodskisten ‘goedkeurde’!