On the Origin of Modern Art by Means of Past Life Memories

Francesco Clemente: Five Sense

 

Holy Inspiration. Religion and Spirituality in Modern Art
The Stedelijk Museum in The Nieuwe Kerk

Amsterdam, Sunday january 22, 2009

Heilig Vuur. Religie en spiritualeit in de modern kunst

 

Met Natura Iconophans lanceerde Lambert Tegenbosch, kunstcriticus voor de Volkskrant van 1954 tot 1977, een nieuwe term in zijn gelijknamige boekje (Tegenbosch 1988) ter gelegenheid van de negentigste verjaardag van Charlotte van Pallandt op 24 september 1988.

De term, zo verklaart Tegenbosch in zijn uitgave, ‘is niet alleen een analogieformatie naar de oudere (godsdienstige) termen epiphania en theopania, hij handhaaft, toegevoegd aan het oude adagium artis natura magistra, ook de kracht en de geldigheid van deze wet. Met het nieuwe begrip iconophans’, vervolgt Tegenbosch, ‘wordt gepoogd het realisme onder de hedendaagse kritiek van de zuiver beeldende waarden te brengen en tegelijk het aloude representatieve karakter van de beeldende kunst in stand te houden.’

Natura Artis Magistra is de leermeester der kunsten zoals we weten, maar ook de Kracht in de natuur die altijd zijn eigen weg zoekt. Die kracht moet voor de lezer niet verward worden met alleen maar natuurnabootsing en een verhalende inhoud, zoals prof. Jaffé onder Sandberg eens bepleitte. Tegenbosch term Natura Iconophans verwijst in de volle breedte zo meen ik te begrijpen, naar de bronnen van de kunst, waar ter wereld en in welke kunstvorm deze zich ook mogen manifesteren.

Para Natura iconophans is het metafysische octaaf van Natura Iconophans en verwijst als beeldende toonsoort naar de bronnen van de kunstenaars die reïncarnatief de representanten en dragers zijn van de krachten binnen tijd en ruimte. Was het niet dat in vele culturen de kunstenaar tevens sjamaan, ziener en priester was.

De bronnen waaruit schilders, performers, schrijvers, musici en ook wetenschappers putten zijn, zo is mijn ervaring als paragnost, allen te vinden in vorige levens.

ARABISCHE EN INDIASE INCARNATIES
Vanuit welk vorig leven kwamen de eeuwig terugkerende tafels van Klaas Gubbels reïncarnatief tot ons? uit welke het Clair-obscur van Rembrandt, de iglo’s van Merz, de magische maskers van Picasso, het vet van Beuys, de eeuwige potjes van Morandi, de prehistorische hanenpoten van Penck, het schrift van Twombly? in welke vorige levens kunnen we Kiefer traceren, zijn dikke boeken, zijn Germanomanie en studie Romaanse talen? waar de eeuwige kastijdingen van Ulay en Abramovic terug te vinden? in welke Arabische en Indiase incarnaties de minimal music van de ‘broers’ Philip Glass, Steve Reich en Simeon ten Holt? in welke incarnatie de bouwstenen van natuurkundige Stephen Hawking terug te vinden?

In welk triviaal Duits gezin van glazeniers waren Gilbert en George eerder man en vrouw en vonden zij de bronnen voor hun hedendaags oeuvre? in welk vorig leven vol van iconoclasme ontmoette Piet Mondriaan de Mondriaankenner en paillettenkunstenaar Carel Blotkamp? waren beiden binnen de islam geestverwanten, wellicht broers binnen een eeneiige tweeling? in welke Florentijnse setting in de Renaissance ontmoette architect Alessandro Mendini voormalig museumdirecteur Frans Haks, waardoor zij in onze tijd elkaar opnieuw vonden en het Groninger Museum konden bouwen?

Dr. Morris Netherton, psychiater en nestor van de moderne reïncarnatietherapie (Netherton, 1978. Past-Life Therapy), psychologe en universitair onderzoeker dr. Helen Wambach (Wambach, 1978. Life before Life), maar ook de Nederlander drs. Hans ten Dam (Ten Dam, 1990. Exploring Reincarnation) hebben op dat gebied baanbrekend werk verricht door het in kaart brengen van lijnen en verbanden tussen vorige en huidige levens. Met cybernetische precisie kan men tegenwoordig de bronnen van het huidige persoonlijke en beroepsmatige leven terugvoeren naar incarnaties waar bijvoorbeeld de schilderskwast of lens voor de videocamera al hoog in het vaandel stond. Wambach regresseerde binnen Amerikaanse universiteiten duizenden personen en liet bijvoorbeeld optekenen in welke periode van de geschiedenis een vork (om te eten) drie of vier tanden had, liet informatie optekenen over schoeisel, behuizing, kleding en geld in specifieke perioden. Psychologe dr. Gina Cerminara dook decennialang in de archieven van de Edgar Cayce’s Association for Enlightment and Research (A.R.E) in Virgina Beach VA, spitte in de meer dan 10.000 readings van de ziener, de slapende profeet Edgar Cayce (1877-1945), en liet de persoonlijke en beroepsverbanden zien (Cerminara, 1988. Many Mansions) tussen de verschillende incarnaties en de relatie ermee in huidige levens.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat realisten, kubisten, constructivisten of conceptuele kunstenaars, die in hun meest recente leven geografisch ver van elkaar verwijderd woonden, geen postkoets, geld of internet ter beschikking hadden, tot haast identieke werken en beeldende opvattingen konden komen. De verwantschap van kunstenaars in het heden door kunsthistorische beschouwingen aangetoond vindt zijn oorsprong in persoonlijke banden die eerder gesmeed werden in het verre verleden tijdens vorige levens.

ICONOCLASME IN DE POLDER
De doorwerking van het reïncarnatieve principe vertaald naar de actualiteit binnen de kunsten in de nieuwe incarnatie gold ook voor de prehistorische kunstenaars die continenten ver van elkaar verwijderd leefden, voor de musici uit het immens grote Atlantische Rijk, als voor de Europese renaissancisten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Mondriaan vanuit een incarnatie als strenge moslim koos voor een vrijwillig iconoclasme in de polder en hij museumwanden en catalogi overal ter wereld deelt met broeders uit eerdere incarnaties die nu ‘toevallig’ kunsthistorisch bij hem aansluiten. Ook in Heilig Vuur in de Nieuwe Kerk hangen de werken van zijn broeders uit vorige levens weer in zijn nabijheid op de wand, en wekken internationaal begeisterung bij historici en critici die Mondriaans vorige incarnatie deelden in een periode waar Logos door iconoclasme de boventoon voerde.

Als paragnost en reïncarnatietherapeut heb ik ‘Para Natura Iconophans‘, de metafysische bronnen van kunstenaars kunnen traceren. Hiervoor maakte ik gebruik van paranormale en extrasensorische waarneming en informatieopbouw, klassieke en experimentele inductietechnieken en beeldende regressies bij studenten tijdens het geven van praktijkcolleges. Door mijn achtergrond als beeldend kunstenaar, docent beeldende kunsten en kunstbestuurder had ik als paragnost automatisch affiniteit en ingang met en tot de muze en haar representanten.

De motieven binnen de kunstwerken van beeldende kunstenaars, schrijvers of musici waren altijd direct of indirect als (beeldende of muzische) postulaten en doorwerking (Ten Dam, 1990) terug te voeren tot een of meerdere vorige levens waar het thema een grote impact op de entiteit (de toen levende persoon) had gemaakt. Themakeuze, kleur, beeld en vormgedrag in het actuele kunstwerk waren immer te herleiden tot de persoonlijke en/of maatschappelijke context waarin de entiteit zich toentertijd bevond.

Vanaf 1982 constateerde ik in het Caribische Gebied, en vanaf 1999 in Brazilië dat de eerder genoemde kracht artis natura magistra zich binnen een niet-westerse cultuuropvatting anders scheen te manifesteren dan we aan deze kant van de oceaan gewoon waren te denken. De ‘Kracht’, het Braziliaanse Axê van het op de animistische bezetenheidsreligie gestoelde candomblé en umbanda toont in alle hevigheid aan (Allard D. Willemier Westra, 1987. Axê, Kracht om te leven) dat er meer heilig vuur onder de spirituele zon is dan het zojuist afgeschafte voorgeborchte onder Europees baldakijn en biechtstoel. De bakermat voor westerse opvattingen over religieuze en spirituele kunst zoals we die nu kennen is vanuit een niet-westerse zienswijze slechts een pitrieten bakermatje.

Met het derde oog en het zesde zintuig ten hemel gericht stapten we op 14 januari 2009 paragnostisch de Nieuwe kerk binnen.

OP ZOEK NAAR HEILIG VUUR
Ondanks het driehoekig pondje vet van Beuys als sjamanistische brandstof laait het Heilig Vuur in de Nieuwe Kerk niet hoger op dan een gedateerde theosofische devotiekaars tijdens een psychometrische seance in een Harmonia-zaaltje. Het is ook vaak het symbolisme van de Delftse slaoliestijl rond Toorop dat zich aandient als heilig oliesel voor terminaal vuur.

Zelfs Blavatsky, Ouspensky en Gurdjieff zouden in de kille kerk hun overleden ledematen niet echt kunnen warmen aan het zwakke schijnsel dat heilig vuur heet, laat staan collectief als een van Gogh met zwart geblakerde vingers huiswaarts kunnen keren.

Filosoof en auteur Coen Simon doet de culturele voorwas tijdens de 6e lezing ‘Filosofie als nieuwe religie’ die geacht wordt helderheid te verschaffen voor de kerkelijke museumbezoekers. De gedachte dringt zich aan me op dat ook Simon het licht niet echt gezien heeft. In een volslagen onsamenhangend betoog harkt hij anekdotes en lichtbeelden bij elkaar en boetseert er een thema van, stamelt zich daarmee onwennig, ongeschoold en zelfs onverstaanbaar door de zelfgeborduurde tekst heen. Fictie en werkelijkheid worden kruislings verbonden met religie en kunst, de hormonen in relatie gebracht met de MRI-scan, en God geclassificeerd als instrumentarium en ultiem smeermiddel dat de samenleving moet binden en daar zijn betekenis in vindt. Waarom geen hondsdolheid of de salmonellabacterie opgenomen in het betoog.

Helemaal bont maakt Simon het als hij het equivalent van de Tegelse Passiespelen of de Heilig Landstichting in de USA breed omarmt daar waar hoogleraar en Amerikakenner Maarten van Rossum met één betekenisvolle blik in het filmpje wereldgehakt maakt van de gênante verkleedpartij door zich ostentatief van commentaar te onthouden als hij gevraagd wordt Jezus te omarmen. Zijn ze het Stedelijk soms van binnenuit ook helemaal aan het verbouwen, zo vraag ik me bezorgd af. Gaat deze tentoonstelling specifiek over christelijke kunst, het glas in lood van Charles Eijck en Joep Nicolaas misschien, het roosvenster en de maçonnieke symbolen in de kathedraal van Reims, mogelijk over het lijdensverhaal van de heer J. Christus te B. later te N., of misschien toch ook over spiritualiteit, en ben ik de verkeerde sacristiedeur binnengelopen.

STANDPUNT VAN WAARNEMING
Het enigste wat mij als een standpunt.nl in de lezing boeit is als filosoof Simon ergens oppert dat het standpunt van waarneming belangrijk is. Met zo’n transcendent standpunt, ooit gebezigd door Ken Wilber en Fritjof Capra, kan ik tenminste leven, het geeft me de ruimte zelf te kijken en te luisteren. Het standpunt van waarneming bepaalt inderdaad wat we waarnemen, in de fysica en ook in de metafysica. Vanuit vogelperspectief ziet de Nieuwe Kerk er van bovenaf bezien geheel anders uit dan dat ik met mijn neus horizontaal voor de poort van de ingang sta of door de ogen van Michiel Adriaenszoon de Ruyter recht omhoog kijk vanuit zijn fraai gedecoreerd praalgraf in de kille wandelgangen. Even verderop vertoont Bill Viola zijn cinematografisch standpunt in slow motion met de fraaie parodie op Pontormo’s De Visitatie (1529).

Het standpunt van filosoof Coen Simon is gelijk aan die van de makers van Heilig Vuur, zo neem ik aan. Vanuit de kansel, spreekgestoelte en aan de kerkelijke museummuren wordt in woord en beeld een overwegend joods-christelijk verhaal in relatie tot spiritualiteit gemonteerd.

Het is ook geen doen om vanuit een in dit verband beperkte collectie van het Stedelijk Museum een tentoonstelling over religie en spiritualiteit bijeen te moeten harken. Die onmogelijkheid om recht te doen aan een royaal overzicht aan spiritualiteit binnen de kunsten is zichtbaar en voelbaar tijdens bestudering van de feiten. Maurice Tuchman, hoofdconservator van het Los Angeles County Museum of Art had voor de tentoonstelling The Spiritual in Art: Abstract Painting 1890-1985 (Los Angeles, 1987), in het Haags Gemeentemuseum getoond als The spiritual in art, het mysterie van de abstracten 1890-1985, daarentegen 10 jaar voorbereiding nodig en had de keuze uit meer dan 250 schilderijen van ongeveer honderd schilders uit Amerika en Europa (Janneke Wesseling, NRC, 1987). Ook deze tentoonstelling kwam niet veel verder door spiritualiteit alleen te willen interpreteren vanuit het symbolisme dat gestoeld was op stoffige spirituele souffleurs. De inconsistente en gedateerde theorieën over spiritualiteit met inbegrip van reïncarnatie, van theosofen als Annie Besant, Blavatsky, Leadbeater en andere uitverkorenen, en dat stel ik als modern paragnost en medium, kunnen met een pennenstreek naar het avondrood der magiërs worden verwezen (Ten Dam, 1989. Handboek Regressietherapie. Ten Dam, 1997. Catharsis en Integratie).

RELIGIE IS HOT
Terwijl ik voor menig werk in de Nieuwe Kerk sta te peinzen is het alsof ik in mijn oor helderhorend de samenstellers hoor zeggen en zuchten: ‘we hebben eigenlijk niet zo veel keuze, dit werkje past eigenlijk ook niet en het is inderdaad wel wat ver gezocht, maar ut kán’. Alsof je in de serie Are You Being Served bij Grace Brothers een bijpassende stropdas of parelketting zoekt voor een driedelig pak of deux-piècesje. De tentoonstelling heeft een prachtige titel, de locatie als kerk werkt schitterend mee en de economische crises doet ook een duit in het zakje waardoor religie en spiritualiteit een schuilplaats wordt voor boordloze slachtoffers van beursgenoteerde zieners. Religie is hot. Alle eer voor het publicitaire aspect, maar de tentoonstelling is met alle respect voor de samenstellers een gemiste kans het thema mee te geven wat het eigenlijk verdient.

De tentoonstelling gaat in hoofdzaak over religie, en dan ook nog binnen nauwe afspraken van het begrip, met als toegevoegde waarde een handjevol werken die de specifieke noemer spiritualiteit zouden moeten kunnen verdragen. Door het eerder genoemde beperkte aanbod uit de spirituele voorraadkelders van het Stedelijk Museum, ligt het episch centrum van de tentoonstelling enerzijds bij religie en religieuze onderwerpen en anderzijds bij de werken die hoofdzakelijk op een verhalend en figuratieve manier deze religieuze thema’s illustreren.

De illustratie van religie en/of spiritualiteit, het beschrijven met beeldplaatjes verwant aan strips van Hergé, is een ander verhaal dan de directe beleving van religie bij een Russische Icoon, zelfs als deze door de tand des tijd amper nog een realistisch beeld bevat. Ook de directe beleving bij een werk als de Igloo di Pietra van Mario Merz, of bij een dozijn prachtig doorbloede doeken in de Rothko Chapel steekt als ervaring af bij wat de Nieuwe Kerk te veel aan beeldverhaaltjes laat zien.

LANS VAN LONGINUS
Bij het beschrijvende beeldplaatje óver religie zit het verschil in de energetische lading van het kunstwerk. Het kunstwerk vertelt óf alleen óver de lading, of draagt zelf die lading psychometrisch met zich mee als in een stok van de medicijnman, de lans van Longinus ook wel de Lans van het Lot genoemd die de zijde van Christus doorboorde, of in een relikwie van Padre Pio. Parapsychologie bijvoorbeeld is ook geen paranormaal fenomeen maar de theorie en beschreven kennis over het paranormale, en met welke kennis alleen men geen tafel psychokinetisch kan laten dansen. Ook met kennis over de geschiedenis van de chirurgie kan men maar moeilijk een blinde darm verwijderen. Een van de excellente uitzonderingen op indirecte beleving van religie en spiritualiteit is uiteraard te vinden bij het directe werk van grootmeester 12e Dan Mark Rothko, en vervolgens bij enige anderen zoals Giuseppe Penone die de terracotta potten als bomen zonder commentaar naar de hemel laat reiken.

Als we niet uitkijken gaan we met de eerder genoemde opvatting van het illustratief beschrijven van verfwoorden huilen bij het zien van een betraande zigeunerin boven het bankstel, welk schilderij een sieraad is voor elke zichzelf respecterende doorzonwoning. Het woord wordt dan belangrijker dan de traan waar het woord van is afgeleid. De vinger die naar de maan wijst is niet de maan, en de afbeelding van het kruis niet het kruis. Als ik een Rothko ervaar kan ik huilen door een energetische implosie van intimiteit, daarvoor hoeft hij het woord intimiteit niet met witte hanenpoten op zijn schilderij te kalken, dat zou zelfs blasfemisch zijn. Het wordt wat anders als bij concrete en visuele poëzie het woord het beeld wordt en is, zoals bij Boem Paukeslag (1921) van Paul van Ostaijen of in Il Pleut (1916) van Guillaume Apollinaire.

Sinds Sandberg en Fuchs zijn we toch al wat verder opgeschoten dan nu in de Nieuwe Kerk organisatorisch wordt getoond. Het is een wat brave vertoning, Jaffé pleitte zoals ik al meldde voor afschaffing van alleen maar natuurnabootsing en een verhalende inhoud, en hij was daar niet alleen in. Kunsthistoricus prof. Meyer Schapiro en nog eerder Alfred Barr van het The Museum of Modern Art (MoMa) deelden vanuit New York binnen het elan van vernieuwing en abstractie zijn visie. In Nederland voltrok zich een schisma en de controverse tussen realisme en abstractie kreeg uiteindelijk zijn beslag met de statuswijziging van de Rijksakademie rond de tachtiger jaren. Zoals de ‘arabeske’ wereld van Paul Gregoire, leerling van prof. Bronner, decennialang mateloos domineerde en vooruitgang verstikte, zo domineerde daarna het corps de garde der abstracten het kunstverkeer waar elk realisme uit den boze was.

ZWARTE BOX VAN AGFA
Het spanningsveld tussen het af te beelden object en de afbeelding is eeuwenoud. In paradoxale zin mogen we blij zijn dat het iconoclasme het alleen figuratief verhalende ongewild heeft ingedamd en dat de wereldgeest, voor zover die mocht bestaan, via Cézanne en bentgenoten zich kubistisch kon manifesteren. Cézanne kon daardoor zijn Arlesiaanse landschappen borstelen en een ‘vertaling’ geven van de werkelijkheid zonder die werkelijkheid te kopiëren als een miniaturist. Hierdoor namen we langzaam afscheid van het alleen maar beschrijvende in de kunst. Het kiekjes maken zou later worden overgenomen door de kleine zwarte box van Agfa. Christus, Mohammed, Vishnu en Boeddha konden nu eindelijk zonder portretlinnen klik-klakkeloos gefotografeerd worden ingeval zij zich onverhoopt op straat mochten begeven om handtekeningen uit te delen. Jean Leering toonde binnen het Relativerend Realisme in het van Abbe Museum dat het figuratieve werk van schilders als Domenico Gnoli en Alfred Hofkunst niet per se congruent hoefde te zijn aan een letterlijke vertaling van de werkelijkheid. Het relativerend realisme werd zoals bij de iconophanse sculpturen van Charlotte van Pallandt, weliswaar in een ander tijdsgewricht, ondanks realisme abstract in zijn beeldende werking.

Aan het verbod van de vroegere Kaliefen om Allah en levende wezens te mogen afbeelden danken we de non-figuratieve pracht waaruit het Alhambra in Granada steen voor steen is opgebouwd, en zoals ook de hele islam is doordrenkt van de dwingende abstracte zeggingskracht van het onzeglijke. Als het wezen van de Godheid en het onzeglijke binnen een religie ooit veelvuldig in beeld is gezet, dan is het wel binnen de islam, alleen waren de beeltenissen van de Oppermachtige afgebeeld zonder gebruik te maken van het beeld zoals we dat meestal willen verstaan. Het wezen van de Godheid werd afgebeeld zonder deze een gezicht te geven. De abstracte kunst heeft ons doen begrijpen hoe we mensen en dingen beeld kunnen geven zonder het letterlijke beeld van persoon of ding af te beelden. Architecten, kunstenaars en handwerkslieden hebben zich binnen iconoclastische religies in allerlei abstracte en formele bochten moeten wringen om datgene uit te beelden wat niet uitgebeeld mocht worden. Toevalligerwijs zien we de Godheid in iconoclastische religies niet letterlijk afgebeeld, maar Hij is beeldend overal aanwezig, geen centje pijn.

In Les Demoiselles d’Avignon van Picasso en in Nu descendant l’escalier van Duchamp is de menselijke figuur in visuele zin al bijna geabstraheerd tot een iconoclastisch concept. Bij de werken van Sam Francis of Cy Twombly kunnen we zonder helderziendheid of kunsthistorische kennis – wat is het verschil – door de abstractie al bijna niet meer zien of mens, ding of gedachte uitgangspunt was van het kunstwerk.

Het begrip abstractie lijkt niet zo recent als we wel willen aannemen. De islam is daarmee een van de grote non-figuratieve voorlopers voor de abstracte kunst, nog voordat in kunsthistorische zin Cézanne het kubisme bedreef, Malevith zijn doeken orkestreerde door zich op het platte vlak van de directe voorstelling te distantiëren en Piet Mondriaan als een strenge calvinistische moslim de figuratieve voorstelling door primaire kleurvelden in de ban deed. Tijdens een eerdere incarnatie zouden Kandinsky, Malevith en Mondriaan wel eens gedrieën vol bewondering en al leunend tegen de poorten van het Alhambra zich hebben vergaapt aan de abstracte gevolgen van het iconoclasme.

Kunst is dus niet bedoeld om uit te leggen, liet Mario Merz ons weten, maar dat te laten ‘Zijn’ wat maar moeilijk uit te leggen is.

Nou ben ik niet tegen taal in de beeldende kunst, Lucebert deed daar kond van, en Gilbert en George doen daar via het veelluik Shit ook indirect kond van, maar het Heilig Vuur toont wel erg veel verhalen aan de wand, als ware het de Kruiswegstaties van Aad de Haas in Wahlwiller. Willem van Konijnenburg, de grote vernieuwer uit begin vorige eeuw, spant in Heilig Vuur de kroon als het gaat om het in den treuren verhalen óver religie, de spiritualiteit zelfs nog daar gelaten. Als een grote pastelkleurige legpuzzel van realisme achter glas door Panorama voor de familie Doorsnee ter beschikking gesteld, symboliseert dit werk thematisch de hoofdbeuk van de tentoonstelling. Het is niet erg aannemelijk dat zijn vorige incarnaties zich hebben afgespeeld in levens binnen iconoclastische religies, daarvoor praat hij op de grote wand te veel binnen de context van deze tentoonstelling.

THEOSOFISCHE STENEN BAARD
Rondom het werk van Van Konijnenburg organisatorisch gedrapeerd kleiner werk van Bijbelse en andere Golgotha-beeldvertellers als Israëls, Toorop, van Dongen, Mulders, en vele anderen die de spiritualiteit gezicht moeten geven. De avant-gardist Matiushin laat zien dat zijn antroposofische aquarellen wel erg lang bij Rudolf Steiners Vrije School hebben liggen onstoffelijk te worden. Alsof er buiten de kerken, en vooral buiten christen- en jodendom geen spiritualiteit te vinden zou zijn. De tentoonstelling krijgt daardoor iets provinciaals. En of er, op een enkele fletse Boeddha-presentatie van Nam June Paik na, niet meer tussen hemel en aarde is dan de theosofische stenen baard die ik toch overal in de tentoonstelling meen te ontwaren. Ook de er aan verwante geest van John Rädecker, de (hand)werkzame mausoleumornamentalist in kalk en zandsteen, is ondanks een enkel werk, alom vertegenwoordigd. Het begeleidende rode boekje bij de tentoonstelling meldt dat bij Rädeckers Manneke met vleugels/Gevallen engel de trekken van de kunstenaar zelfs te herkennen zijn in het gezicht bij het manneke. Met deze esoterische informatie komen we toch erg dicht in de buurt van de blote-borstenzigeunerin boven het eerder genoemde bankstel.

Marlene Dumas met haar prachtige doek ‘Het laatste avondmaal’ vertelt ook, maar zonder te veel woorden te gebruiken die beeld en beleving zouden moeten vervangen, een schitterend werk van haar hand. Ook Clemente, eens door Frans Haks ontdekt en samen met Cucchi en Paladino Nederland binnengehaald doet van zich spreken. Francesco Clemente, toch figuratief met de borstel, mediteert met het prachtig roze van oosterse tafzijde een hele wand vol als een gereïncarneerde Indiase monnik. Hij schildert niet óver religie of spiritualiteit, hij bidt zijn gebed met de borstel zoals het draaien aan de gebedsmolen door de boeddhist. En dat laatste, de directe beleving, is wat ik buiten het toch niet echt representatieve werk van Abramovic, Beuys en Kiefer teveel mis op deze qua concept wat theosofisch uitgelijnde tentoonstelling.

Al wandelende door de zalen ben ik op zoek naar spiritualiteit en vind religie welke laatste de spiritualiteit meende te kunnen inkapselen als missionarissen die in een koloniaal tijdsgewricht wijwater naar de spirituele zee wilden dragen. In die zin is de tentoonstelling een koloniaal gebeuren waarbinnen de westerse religie centraal staat, en er schoorvoetend wat scheutjes spiritualiteit aan toe wordt gevoegd. Zoals er in de oudheid scholing was en pedagogische beginselen voordat enige universiteit haar deuren kon openen, zo was er sinds aeonen de spiritualiteit, nog voordat met zwierige lijnvoering het eerste beeldverhaal in de grotten van Altamira werd gekerfd. Dit in een tijd dat de religie nog eeuwenlang moest wachten om later de spiritualiteit, de moeder van de religie, te degraderen tot een franje aan de kazuifel van zwartrokken en wereldheren. De pontificale tentoonstelling is daar een koloniaal schoolvoorbeeld van. Bij het verlaten van de kerk groet ik nog even het oppermachtige roze van Clemente en ben in een gelukzalige stemming terwijl de duiven buiten in vergadering bijeen mij de weg wijzen naar de spirituele werkelijkheid.

Spiritualiteit is zowel het Hosanna in Excelsis van de Corsicaanse chanteur Jacques Culioli, het 2000 jaar oude palmboomzaadje Methusalem dat alsnog tot ontkiemen werd gebracht, het tulen rokje van Degas, als de benen van Amy Winehouse die de rockdiva dragen.

 

Zie ook:
Stedelijk Museum, Amsterdam / Holland
De Nieuwe Kerk, Amsterdam / Holland
LACMA: Los Angeles County Museum of Art, Los Angelos / USA
The Return of Religion and Other Myths – The Art of Iconoclasm, BAK Utrecht / Holland